Duolingo is de populairste methode van de wereld om talen te leren. En het allerbeste: het is 100% gratis!

https://www.duolingo.com/Lavinae

Grammatica: There / Their / They're ; Your vs. You're ; Its vs. It's

Lavinae
  • 25
  • 25
  • 20
  • 13
  • 12
  • 12
  • 11
  • 11
  • 9
  • 8
  • 7
  • 7
  • 7
  • 3
  • 2


Inhoud:

  1. There / Their / They're
  2. Your vs. You're
  3. Its vs. It's

1. There / Their / They're

De woorden there, their en they’re worden hetzelfde uitgesproken, maar ze hebben elk een eigen betekenis!

  • they’re = “zij zijn”. Dit is de samengevoegde vorm van ‘they are’.

    Voorbeeld: “They’re working in the garden.” = “Zij werken in de tuin.”

  • their = “hun”. Dit woord geeft bezit aan.

    Voorbeeld: “I like their new car.” = “Ik vind hun nieuwe auto leuk”.

  • there = “daar” of “er”. Dit woord geeft plaats aan.

    Voorbeeld: “There is no shampoo in the bathroom.” = “Er is geen shampoo in de badkamer.”

Wanneer je aan het schrijven bent en deze woorden hebt gebruikt, kun je jezelf het volgende afvragen om te controleren of je het juiste woord gebruikt hebt:

Wat heb ik geschreven?

  1. There: Klopt de zin nog als je ‘there’ vervangt door ‘here’? Dan heb je de juiste vorm gebruikt.
  2. Their: Klopt de zin nog als je ‘their’ vervangt door ‘ours’? Dan heb je de juiste vorm gebruikt.
  3. They’re: Klopt de zin nog als je de volledige vorm ‘they are’ gebruikt? Dan heb je de juiste vorm gebruikt.

2. Your vs. You're

De woorden your en you’re klinken ook hetzelfde. Your is echter een bezittelijk naamwoord dat “jouw” betekent en you’re is een afkorting voor you are, oftewel “jij bent/jullie zijn”.

Voorbeelden voor your:

  1. “Are these your shoes?” = “Zijn dit uw/jouw/je/jullie schoenen?”
  2. “What is your name?” = “Wat is uw/jouw/je/jullie naam?”

Voorbeelden voor you’re:

  1. “You’re my enemy!” = “Jij bent/Je bent/U bent/Jullie zijn mijn vijand!”
  2. “You’re the first!” = “Jij bent/Je bent/U bent/Jullie zijn de eerste!”

3. Its vs. It's

Verwarring kan er ook onstaan met de woorden its en it’s.

Its

Its is een bezittelijk voornaamwoord, dat we in het Nederlands normaal gesproken met z’n of zijn vertalen. Dit bezittelijk voornaamwoord wordt gebruikt om naar dingen of dieren of kinderen te verwijzen, die niet een specifiek geslacht gekregen hebben. Het is dus niet duidelijk of deze dingen, dieren of kinderen vrouwelijk of mannelijk zijn.

Voorbeelden:

  1. “Put the bird in its cage.” = “Zet de vogel in zijn kooi.”
  2. “The child is looking for its homework.” = “Het kind zoekt z’n huiswerk.”
  3. “Lay the vacuum cleaner on its back.” = “Leg de stofzuiger op zijn rug.”

It’s

It’s is een verkorte vorm van it is of it has

Voorbeelden:

  1. “It’s Friday today.” = “It is Friday today.” = “Het is vrijdag vandaag.”
  2. “It’s time to go swimming!” = “It is time to go swimming!” = “Het is tijd om te gaan zwemmen!”
  3. “It’s been told by my aunt.” = “It has been told by my aunt.” = “Het is door mijn tante verteld.”

Oefeningen

Oefening: There/Their/They're
Oefening: Your vs. You're
Oefening: Its vs. It's


Terug naar overzicht!

20
4 jaar gelden
3

1 opmerking